De Škoda is er niet meer, we hebben hem verkocht. Een aardige meneer uit Gouda heeft hem gekocht en meegenomen. De heer leek mij een geschikte meneer, hij wist veel over auto’s en specifiek over Lada, waarin hij zelf reed, en Škoda. Onze lieve Š is bij hem, denk ik, in goede handen. Maar droevig is het wel. En eigenaardig ook, dat het me warempel aan ‘t hart gaat om een ding, een auto, te verkopen.
Eind januari kwam de heer een proefrit maken in onze Škoda. Hij kwam op het eiland in een auto die we hier niet vaak zien. De twintig jaar oude Lada vertoonde grote roestgaten in de flanken en was vooral heel hoekig en heel lelijk. Na een keurende blik stapte hij in, zijn vrouw ernaast en ik achterin. Sowieso al een plek waar ik nooit zat, maar door de hortende en onwennige rijstijl van de heer voelde ik me ongemakkelijk, zacht gezegd. Toen we voor de gracht de hoek om moesten, grapte ik “rijdt u niet de gracht in”. De seconde erna hing ik in m’n gordel, de heer was niet gewend aan een bekrachtigde rem. De zenuwen stonden duidelijk geschreven op zijn gezicht en ik besloot verder mijn mond te houden. Dat hield ik zelfs vol toen we in de tweede versnelling door de Piet Heintunnel reden, met 85 km/h. De board-computer zou ingrijpen als dat nodig was, stelde ik me gerust.
Twee weken later kwam de heer onze Škoda ook inderdaad kopen en ophalen. Hij vertrouwde mij toe dat hij nogal zenuwachtig was geweest tijdens de proefrit omdat hij niet met de auto om had kunnen gaan. Zijn Schotse vrouw had op de terugweg naar Gouda de Lada vergeleken met een ‘noisy, hulking lorry’. Zij was, meer dan hij nog, direct voor onze auto gevallen. Nadat de koop bezegeld was op het postkantoor, reed de heer met zijn vrouw, kussentje op de stoel, zeer beheerst, maar vooral heel voorzichtig, de parkeergarage van het stadhuis uit. Weg uit ons leven.
Als ik ’s avonds met Sezer een rondje loop, liep ik altijd langs de auto, even kijken of de radio er nog in zat. De eerste dagen bekroop me tijdens zo’n rondje steeds een onbehaaglijk gevoel, een leegte. En dan snel, stilletjes voor me uit ‘tssss… het is toch maar een auto’. Maar het was wel onze eerste, echte, nieuwe auto. Wout had het ons helemaal uitgelegd, dat je eigenlijk een Volkswagen rijdt, voor een veel betere, Tsjechische prijs. En omdat Daan, de baas van Š-Point, samen met Wout bij Pon had gewerkt, werd die prijs nog beter. Met Sezer in de geplastificeerde achterbak, tufte ik ons naar Berlijn, en scheurde Ayse ons terug uit Ingolstadt. We navigeerden op de gps door Drenthe, hij sjouwde de Fair Trade spulletjes voor ons naar het Rootsfestival in het Oosterpark. Maar bovenal, met het kleine aanhangertje over de Autobahn, door de Galleria stradale del San Gottardo, over de Po-vlakte, op de boot, dwars door de Griekenland, met gemak de Vóreia Píndos bedwongen en zo kan ik nog wel doorgaan. Tssss… ik mis ‘m.














Sterkte!!