Als ik zou uitglijden, val ik. Genadeloos hard, want de sneeuw is maar een centimeter of tien dik. De prut van vanmiddag is opgevroren, er is alweer een sneeuwbui of twee overheen gegaan. Ik schuifel daarom als een stramme man over straat. Sezer niet, als hij uitglijdt, heeft hij nog houvast op drie poten. Bovendien beschikt hij over uitstekende, natuurlijke ‘spikes’. En hij houdt van sneeuw, hij stuift als een malle in het rond. Ik haat sneeuw en kou, denk ik. Schuifelend mijmer ik over de afgelopen zomer, altijd prachtig weer, geen vuiltje aan de lucht, 30 graden, maar vaker meer. Ik haat mijn dikke jas, m’n muts en m’n wanten, omdat ze toch nog kou doorlaten. Prutswerk is het. Maar toch, onder m’n schoenen knispert de verse sneeuw, ik loop door sprookjestuinen, de takjes bedekt met dunne, opstaande laagjes wit poeder. Fietsen in de stallingen hebben witte feestversiering in de wielen, als gingen ze naar een bruiloft. De stilte is oorverdovend klinkt wat kitscherig, maar de demping van het stadse geruis is onmiskenbaar. Prima dan, het is mooi, maar niet te lang, goed?














Nababbel